Page content

Spiekbriefje in je hoofd!

Spiekbriefje in je hoofd!

18912875_s met rand
Een spiekbriefje in je hoofd, waarop je razendsnel kunt zien hoe een woord geschreven moet worden.
En dat je helpt om een woord – als je het eenmaal een paar keer gezien hebt – onmiddellijk te herkennen als je het moet lezen…

• Dus niet meer tweifelen 😉 over de spelling.
• Niet meer moeizaam ontcijferen of raden tijdens het lezen.

Is dat ook mogelijk voor jouw kind?

Voor we die vraag kunnen beantwoorden, gaan we eerst in op wat zo’n spiekbriefje eigenlijk is.

Wat doet een spiekbriefje voor je?

Laten we eens kijken naar hoe een geoefende speller of lezer omgaat met een ‘spellingprobleem’.
Stel deze geoefende speller moet het woord ‘trein’ opschrijven en hij zou twijfelen tussen de e,i of i,j:

Wat zal hij dan doen? Hij schrijft beide woorden (in gedachten) op en ziet dan dat een van de twee er raar uitziet. Net zoals jij dat waarschijnlijk ziet bij een van de woorden hierboven.
Hoe komt het dat hij dat ziet?
Dat komt doordat hij in zijn hoofd als het ware een ‘plaatje’ heeft van het goede woord. Hij heeft een beeld van hoe dat woord eruit hoort te zien: een visueel woordbeeld.

Handig!

Hij hoeft dus bij het schrijven van het woord ‘trein’ zich alleen maar het visuele woordbeeld voor de geest te halen en hij kan het woord snel en foutloos schrijven. Hij heeft dus altijd een ‘spiekbriefje’ bij zich!

En omdat hij beschikt over dat visuele woordbeeld, zal hij bovendien bij het lezen het woordje ‘trein’ in een oogopslag herkennen. Snel en moeiteloos. Lezen gaat dan dus veel makkelijker, waardoor er weer aandacht is voor de inhoud van de tekst.

Breinonderzoek

Er wordt steeds meer wetenschappelijk breinonderzoek gedaan naar het proces van (leren) lezen en spellen.
Aan de Universiteit van Georgetown (Washington) keken onderzoekers hoe lezers omgaan met ‘nieuwe’ woorden en met ‘bekende’ woorden. Men ontdekte het volgende:

klik plaatje voor link naar het artikel

“Als we een woord eenmaal een paar keer ontcijferd hebben [3 à 4 keer], dan ziet ons brein het als een plaatje en niet als een groep letters die ‘geanalyseerd’ moeten worden.

De woorden worden opgeslagen in wat in het Engels The Word Form Area (WFA) genoemd wordt (in de visuele cortex, achter in ons brein), wat wij graag vertalen als: ons mentale visuele woordenboek. 

En dat woordenboek zit dus vol met die zo felbegeerde spiekbriefjes!!

Want nieuwe woorden worden al heel snel bekende woorden.

Een andere onderzoekster (Sally Shaywitz – Overcoming Dyslexia) deed met fMRI onderzoek naar het functioneren van het brein van lezers en ze vergeleek daarbij mensen die gewoon vlot (hebben leren) lezen en mensen die dyslectisch zijn.

Sally Shaywitz

Zij zag dat normale lezers het visuele gedeelte van hun brein inschakelen bij het lezen (gele gebiedje = WFA), terwijl bij mensen die zwak lezen en spellen vooral het auditieve gebied (groen) (over)actief is.

Beide onderzoeken wijzen er dus op dat lezen in wezen een visueel proces is.

Wat zien we in de klas?

Bij de meeste kinderen die hun eerste woordjes leren lezen, doet het visuele centrum (het WFA) vanzelf mee. Deze kinderen vullen automatisch in de loop der tijd hun mentale visuele woordenboek – zonder dat zij of iemand anders daar omkijken naar hebben.
Maar bij een behoorlijke groep kinderen (de schatting is rond de 20%) gaat dit niet vanzelf en dan ontstaan de problemen.

Bij het lezen

Deze kinderen blijven bij lezen aangewezen op moeizaam hakken en plakken. Zij moeten steeds opnieuw (hardop) de klanken die horen bij de letters die ze zien benoemen (hakken) dan het woord zeggen (plakken). Pas op dat moment kunnen ze er betekenis aan hechten. Als ze al zover komen, want het ontcijferen kost zoveel moeite dat het brein overbelast raakt. We zien dus dat deze kinderen over het algemeen weinig tekstbegrip ontwikkelen. Versnelling treedt niet echt op. Kinderen worden wel vaardiger in het hakken en plakken, maar ze krijgen geen toegang tot de versnelde aanpak.

Je kunt het vergelijken met steppen op een fiets. Misschien leren ze sneller steppen, maar ze leren niet fietsen.

Hierbij ga ik nog even voorbij aan het probleem dat ze vaak geen inzicht hebben in welke klank er dan precies bij die letter hoort. Want de klanknamen van de letters (zoals ze die in groep 3 leren) komen heel vaak niet overeen met de klank van de letter in het woord dat ze proberen te ontcijferen. Vergelijk ja en jas. De kinderen leren dat de a een ‘ah’ is, maar in het woordje ja kunnen ze daar niks mee.

Bij het spellen

Bij het spellen is hun enige houvast de klank van het woord als geheel. Zij blijven dan afhankelijk van de auditieve strategie die uitgaat van ‘ik schrijf wat ik hoor’.

Ze moeten keer op keer de aparte klanken in een woord onderscheiden en koppelen aan een schrijfwijze. Maar het probleem met onze taal is, dat de klank van een woord vaak onvoldoende informatie geeft over de spelling. Want als je zou mogen schrijven wat je hoort, zijn al deze woorden goed: trijn, nigje, zach, leew, mooj, pieloot en boomen. Dit steeds weer opnieuw analyseren kost heel veel inspanning.

Gevolg

Lezen en schrijven blijven moeizame processen om helemaal wanhopig van te worden. Met als gevolg: deze kinderen laten het koppie hangen, verliezen het vertrouwen in zichzelf en ze raken ervan overtuigd dat ze het NOOIT zullen leren.

Woorden ‘voor je zien’

Sommige kinderen hebben bij het horen van het woord ‘trein’ een heel sterk visueel beeld, maar niet van het ‘woord’. Zij zien de ‘betekenis’. Dit dus:

trein_woordbeeld

En dat helpt ze helaas bij het schrijven niet verder!

Ieder kind kan leren om naast het visuele beeld van het voorwerp (?) en de klank van het woord (“trein”) ook het visuele beeld van het woord op te slaan.

visueel woordbeeld opslaan

 

 

 

Ieder mens gebruikt zijn visuele centrum namelijk continu.

Daardoor herkennen we mensen om ons heen, we weten waar we zijn als we fietsen.

We vullen die visuele databank met wat we maar willen, waardoor we gebouwen herkennen, Pokémon, bloemen, de plaatjes uit het plakboek van Freek Vonk… (Is het niet zo dat jouw kind bij het openen van het nieuwe pakje onmiddellijk weet: Hé! die is nieuw! Of Hé! die heb ik al!!)

Maar om een of andere reden gebruiken sommige kinderen dat visuele geheugen niet voor woorden.

Waarom dat zo is, is niet precies bekend.

Maar gelukkig is inmiddels ruimschoots aangetoond dat ze dat wel kunnen leren!

De ‘oren’ maken overuren!

Bij kinderen die zo worstelen speelt luisteren de belangrijkste rol bij het (leren) lezen en spellen. Vaak wordt dit op school extra gestimuleerd: goed luisteren zodat je weet wat je moet schrijven! Het groene gebiedje in hun brein maakt overuren!

Het doel van de aanpak van Taalkanjer is dat de veel snellere en veiligere visuele aanpak ook voor deze kinderen beschikbaar komt. Daarom is het essentieel dat ze beter gaan KIJKEN! Niet alleen naar het woord als geheel, maar heel bewust ook naar de letters in het woord. We moeten ze door de vragen die we stellen verleiden om meer hun visuele brein aan het werk te zetten.

  • Dus niet: welke klanken hoor je?
  • Maar: welke letters zie je? Kun je ze noemen?

Daarbij is het heel belangrijk dat de letters NIET benoemd worden met hun klanknaam. Klanknamen zetten namelijk direct de oortjes weer open en dat willen we (nu) niet!

In plaats daarvan benoem je de letters met de naam die ze in het alfabet hebben:

Je spelt dus het woord zoals ook volwassenen dat doen en daarna zeg je het woord meteen. In eerste instantie zal een plaatje je helpen om het hele woord te zeggen, later herken je het woordbeeld ook zonder plaatje.  (Proces versneld weergegeven… in de praktijk zijn er een paar tussenstappen).

k-a-t  is kat
s-n-e-e-u-w is sneeuw

Letters – benoemd met de alfabetnaam – activeren het visuele systeem en dwingen om goed te kijken en helpen bij het opslaan van het woordbeeld.

Spelt een kind “sss-nn-eeuw” op klank, dan blijft de visuele waarneming van vooral het eeuw stukje globaal. Daardoor wordt er geen woordbeeld opgeslagen. De volgende keer dat een soortgelijk woord gelezen moet worden is er geen spiekbriefje voorhanden en bij het schrijven zie je dit soort fouten:

Relatie klank – letter

Natuurlijk is er een relatie tussen een klank en een letter. Kinderen moeten dus weten welke klank er bij een letter hoort. Maar ze hebben al heel snel door dat die relatie niet 1 op 1 is.

Geen probleem voor kinderen die een visueel woordbeeld ontwikkelen, maar een RAMP voor kinderen die aangewezen zijn op moeizaam ontcijferen.

Deze kinderen moeten we dus meteen inzicht geven in die relatie:

Bijvoorbeeld: Bij de letter a horen twee klanken: de lange a-klank en de korte ah-klank. Maar het prettige is dat je meteen aan het woord kunt zien wat je tegen de a moet zeggen. Je hoeft niet te gokken :).

Voor kinderen die je deze duidelijkheid biedt, is dit een echte eye-opener. Ze krijgen het gevoel: “Ik ben toch niet gek!” en staan open om aan de slag te gaan.

Eerste stap?

Wat is de eerste stap die jij kunt zetten op weg naar zo’n stabiel visueel woordbeeld?

Taalkanjer zou Taalkanjer niet zijn als we je daarvoor niet heel leuk en aantrekkelijk aanbod zouden doen.

Je kind moet namelijk ‘gewoon’ het alfabet leren en vertrouwd raken met de alfabetnamen van de letters. Omdat we weten dat niet voor iedereen vanzelfsprekend is en op school vaak zelfs ‘taboe’ is, willen we je laten ervaren dat het heus allemaal wel meevalt.

Je kind kent namelijk al heel veel alfabetnamen van letters :))
Alleen realiseren jullie je dit misschien niet.

We hebben een kwartet gemaakt dat we een beetje eigenwijs het
“Wat je eigenlijk niet mocht weten, maar je stiekem toch weet”-kwartet genoemd hebben.

Vraag het hier aan en veel plezier ermee!

Met het aanvragen van het kwartet geef je ons toestemming
om je gegevens te verwerken zoals beschreven in onze privacyverklaring.
Omdat wij je absoluut niet willen spammen,
kun je je op ieder moment weer afmelden!

Spellingsregels zijn onlogisch!

spellingsregels-onlogischHoeveel kinderen (en hun ouders) horen we bij deze uitspraak zeggen: “Inderdaad!”

Waarom moet plein met ei en lijn met ij? Waarom mag kijkt niet met ei?
Is er dan niemand die mij dat kan vertellen?

Nee, helaas!
Voor dit probleem is geen logische uitleg te geven.

Op school worden alle woorden in categorieën (ook wel afspraken of spellingregels genoemd) ingedeeld. In sommige methodes zijn dat er 10-tallen! Kinderen moeten deze spellingcategorieën leren, vaak met nummer en al en ze krijgen het maar niet in hun hoofd! Of ze kennen de regel wel, maar passen hem niet toe in de praktijk.

Je laat iemand die kleurenblind is toch ook niet voorwerpen op kleur sorteren?

Voor Taalkanjer is het hanteren van spellingcategorieën voor kinderen die zo worstelen met leren spellen net zoiets als iemand die kleurenblind is dingen laten sorteren op kleur!

Hoe kun je – als je geen idee hebt waar het over gaat – woorden in categorieën plaatsen?
En als je wel weet waar het over gaat, waar heb je dan die categorieën nog voor nodig?
Ik ken geen enkele spellingcategorie, maar toch is mijn spelling heel behoorlijk :).

Wat heb je aan categorie 14b (woorden met een ij) als er achter staat als schrijfregel: ik leer deze woorden uit mijn hoofd.
Of voor ouw/auw/au/ou woorden: Ik leer deze woorden uit mijn hoofd.

Dat is NIET te doen, als je niet weet hoe het in je hoofd werkt! Of eigenlijk: als het bij jou anders werkt dan bij 80% van de andere kinderen in je klas.
Want ja… ZIJ kunnen woorden uit hun hoofd leren. Of eigenlijk: IN hun hoofd voor zich zien.

Spiekbriefjes

Dat is wetenschappelijk bewezen: na een paar keer zien de meeste mensen (en kinderen!) woorden als een plaatje. Ze hebben er een soort spiekbriefje van in hun hoofd: ze weten hoe het woord eruit ziet. En wat ze op school doen met het overschrijven en oefenen is de lijst met spiekbriefjes steeds langer maken.

Maar wat nou als jij in je hoofd die spiekbriefjes niet hebt? Hoe ga je dan onthouden of het trein of trijn moet zijn?

Dat vertellen ze er op school niet bij. Helaas….

Uit onderzoek is gebleken dat kinderen die worstelen met leren lezen en spellen geen spiekbriefjes (visueel woordbeeld) ontwikkelen.

Maar… en dat is veel leuker: ze kunnen het wel leren!

Je kunt het leren!

Als je de lesstof maar op de goede manier aanbiedt.
Zoals Juf Karin dat deed, in haar klas.
Ze staat voor groep 3 waar ze op een speciale manier aan het werk gaat.

Resultaat (ondanks het feit dat ze een paar kinderen uit groep 2 meekreeg met het ‘label’ risicokind).

Op een klas van 22 kinderen:
59% A score
27% B score
13% C score
Geen enkel kind scoorde D of E niveau!

Dus: weg met al die eindeloze ‘categorieën’ waar je niks aan hebt en die alleen maar ballast zijn in je hoofd.

Wat kan je nu al doen?

Wil jij weten wat voor jouw kind de eerste stap is om een stabiel visueel woordbeeld te ontwikkelen? Zodat hij ook kan beginnen met woorden op dezelfde makkelijk manier op te nemen en toe te voegen aan zijn ‘mentale woordenboek’?

Speel dan samen het “Wat je eigenlijk niet mocht weten, maar wat je stiekem toch weet”-kwartet.
Je kunt het hier downloaden:

Met het aanvragen van het kwartet geef je ons toestemming
om je een aantal mails te sturen.
Omdat wij je absoluut niet willen spammen,
kun je je op ieder moment weer afmelden!

Maar onthoud: hoe langer je wacht, hoe groter de achterstand wordt!

O, ja… Een vraag die we dan vaak krijgen:

Moet mijn kind dan alle woorden uit zijn hoofd leren?
Antwoord:
Nee hoor, want gelukkig zijn er ook spellingregels die WEL logisch zijn.
Die ons juist WEL helpen om te verklaren hoe je sommige woorden moet schrijven.

Maar daarvoor is het wel noodzakelijk dat je een andere uitleg geeft dan die op de meeste scholen gebruikelijk is.
Want met die andere uitleg kun je heel veel van de verwarring (letterchaos in het hoofd van je kind) wegnemen!

Dus:

Zie jij regelmatig fouten als in:

de-kiker haagelslag

Neem dan eens contact met ons op.

Spelen met letters en woorden

Zoals jullie weten, vinden Jorien en ik het heel belangrijk om zoveel mogelijk te oefenen in de vorm van een spelletje.
Nu kwam ik laatst weer een heleboel leuke spelletjes tegen in een oud nummer van Onze Taal. Graag wil ik die met jullie delen. Ze zijn heel geschikt voor wat oudere kinderen.
Bij de spelletjes staat steeds een puntentelling, maar als je kind niet zo van wedstrijdjes houdt, hoef je die natuurlijk niet te volgen.

Kentekenwoorden

67-RKJ-1 = rokje
Kies samen een nummerbord uit, bijvoorbeeld 67-RKJ-1, en maak woorden die de letters RKJ bevatten. Het liefste ook in de volgorde waarin ze in het nummerbord voorkomen. Iedereen mag woorden roepen. Degene met het kortste woord met de letters in de juiste volgorde (bijvoorbeeld rokje), wint de ronde. Lukt het niemand om de letters in de juiste volgorde te houden? Dan mogen de letters door elkaar gehusseld worden (bijvoorbeeld jurk). Ook dan wint degene met het kortste woord.

Woordslang

Kleurpotlood, potloodstreep, streepjespyjama
Een variant op de letterslang… De eerste speler noemt een samenstelling, dus een woord dat bestaat uit twee zelfstandige naamwoorden, bijvoorbeeld kleurpotlood. De tweede speler neemt het laatste deel van het woord, plakt er iets achter en maakt er een nieuw woord van (potloodstreep). De volgende pakt daar weer het laatste deel van en maakt daarna een nieuw woord (streepjespyjama), enz. Als je geen woord meer kunt bedenken, heeft degene die het laatste woord had bedacht een punt. Beperk eventueel de nadenktijd ;-).

De keizer van China

‘… houdt wel van appels, maar niet van bananen’keizer van China
Een van de spelers bedenkt iets taligs waarvan een denkbeeldige keizer van China zou houden, bijvoorbeeld: woorden die beginnen met een a, waar een b in zit of die eindigen op een s. Of woorden die 4 letters hebben of twee lettergrepen. Je kunt het zo makkelijk of moeilijk maken als je zelf wilt.
Stel dat het gaat om woorden die beginnen met een a. Dan zegt degene die de regel heeft bedacht: “De keizer van China houdt wel van appels, maar niet van bananen.” De andere spelers mogen vervolgens vragen stellen als: “Houdt de keizer van China van aardbei?” De eerste speler beantwoordt alle vragen. Degene die de voorliefde van de keizer raadt, verdient een punt.

Verhaal maken

“Er was eens een meisje”
Dit spel draait niet om punten, maar om het gezamenlijk maken van een verhaal. Iemand begint met een zin (“Er was eens een meisje”) , de volgende haakt hierop in en gaat door met het verhaal (“Dat moest vroeg opstaan”), waardoor een avontuur ontstaat met allerlei onverwachte wendingen.

Achteruit spellen

Fiets: s-t-e-i-f
Speler 1 noemt een woord (bijvoorbeeld fiets). Hoeveel letters dat woord mag hebben, is afhankelijk van de speler die het woord moet gaan spellen! Speler 2 moet dit woord achterstevoren spellen: s-t-e-i-f . Als die dat foutloos binnen 10 seconden doet, verdient hij een punt. Speler 2 bedenkt na afloop van zijn beurt een nieuw woord voor de volgende speler.
Let op: het is niet de bedoeling om het woord achterstevoren uit te spreken. Om wat dit betreft verwarring te voorkomen, is het extra belangrijk dat je spelt met alfabetletters en niet met de klanknamen van de letters (dus ef-i-e-tee-es > es-tee-e-i-es). Dit lukt alleen als je het woord dat je gaat spellen goed voor je ziet!

Heeft mijn kind dyslexie?

Toen onze zoon in groep 6 zat, verveelde hij zich regelmatig: hij had zijn werk altijd snel af en vaak tijd over. Zijn meester  wist de oplossing:

Hij mocht, als hij klaar was met zijn reguliere werk, een werkstuk schrijven. Ik zou het ‘werkstuk’ misschien nog ergens kunnen vinden:zonnestelsel

Ons Zonnestelsel

Verder dan de titel is hij nooit gekomen….

Maar het probleem was opgelost: Hij was nooit meer voortijdig met zijn werk klaar! Daar zorgde hij wel voor… Hij had een bloedhekel aan lezen en een nog grotere hekel aan schrijven. Dus hij zag dat werkstuk totaal niet zitten!

Had onze zoon dyslexie??

Vroeger kon men – met het dyslexieprotocol in de hand – pas ‘ja’ antwoorden op zo’n vraag, als je kind een achterstand had van TWEE JAAR. Tot die tijd werd er niet officieel actie ondernomen.

Gelukkig is die norm losgelaten. Eerder ingrijpen is dus mogelijk. Tegenwoordig komt een kind in aanmerking voor een dyslexie-onderzoek als het 3 keer een E-score gehaald heeft op de halfjaarlijkse citotoetsen van het leerlingvolgsysteem. Maar al bij de eerste E-score moet de school actie ondernemen en een werkplan opzetten.

Maar voor 3 E-scores heb je wel anderhalf schooljaar nodig, want een kind wordt maar twee keer per jaar getest. Zit daar bijvoorbeeld nog een D-score vóór, dan kan je stellen dat je kind toch al behoorlijk lang aan het tobben is, voor er een dyslexie-onderzoek kan worden uitgevoerd.

Maar…. ook als je kind helemaal geen E-scores haalt, maar bijvoorbeeld C-scores, kan JIJ het gevoel hebben dat hij onder zijn eigen niveau presteert. Zeker als bij ander vakken, zoals rekenen, de scores (veel) hoger zijn. Onze zoon heeft nooit lager dan een C gescoord voor spellen en lezen, maar voor rekenen waren het altijd A’s. Onze vraag aan school of hij mogelijk dyslexie had (zijn oudere zus heeft het ook), werd dus altijd weggewuifd. Wij moesten vooral geen spoken zien, hij deed het toch prima!

Ook je kind kan het gevoel hebben dat het onder zijn of haar niveau presteert: het enthousiasme voor school daalt, je kind zit niet lekker in zijn vel. Hij raakt gefrustreerd doordat hij de logica niet ziet en wat de ene keer goed lijkt te zijn is de andere keer fout. Of doordat hij in een groepje ‘zwakke’ leerlingen moet meedraaien voor extra instructie. Dat hakt in op zijn zelfbeeld, zeker als je kind zichzelf nooit als ‘zwakke leerling’ gezien heeft.

Het uitgangspunt van Taalkanjer is:

Als een kind steeds moet nadenken over HOE hij iets moet schrijven, waardoor hij geen tijd heeft om na te denken over WAT hij moet schrijven, dan heeft hij een probleem! En hoe je dat probleem noemt (wel of geen dyslexie…) vinden wij niet zo boeiend!

Als je steeds moet nadenken over dat “HOE” je iets moet schrijven, heb je grootste moeite om je gedachten op papier te krijgen: de zojuist bedachte volzin glipt weg uit je geheugen zodra een spellingsprobleem de aandacht vraagt. Daarbij maakt het niet uit of het er uiteindelijk spelfouten gemaakt worden ja of nee…..

Schrijven wordt dan een worsteling.

Datgene waarvoor schrijven bedoeld is, namelijk je gedachten toevertrouwen aan papier (of het scherm van je computer), komt niet uit de verf. Alles wat je moet schrijven vraagt TE veel aandacht en het resultaat valt tegen: de woordenschat is beperkt (moeilijke woorden worden vervangen door makkelijke), de zinsbouw is beperkt (vloeiende volzinnen zijn vervlogen voor ze op papier komen) en de inhoud is beperkt (schrijven kost zoveel inspanning dat de schrijver het snel opgeeft).

Dictee

Een geregeld, liefst wekelijks gegeven zinnendictee vertelt ons hoe onze leerling ervoor staat: gaat het schrijven al op de automatische piloot (zoals het zou moeten) of zien we dat het ‘hoe’ nog zoveel moeite kost, dat het ‘wat’ er nog bij inschiet.

Wij gaan er vanuit dat een leerling een zin na één keer voorlezen moet kunnen opschrijven.

Laatst was Y. (groep 7) bij mij:

Ik dicteerde de volgende zin:
“Ga eens gauw dat nieuwe recept bij de apotheek halen.”
Waarbij ik natuurlijk vooral bij de woorden recept en apotheek problemen verwachtte.

Hij schreef:

Ga eens g                           en toen stokte zijn pen.

Tegen de tijd dat hij besloten had dat hij ‘gauw’ met a-u-w ging schrijven, was hij vergeten wat ik gezegd had. Natuurlijk heb ik toen de zin nog een keer voorgelezen.
Maar stel dat iets dergelijks Y was overkomen bij de eerst zin van zijn werkstuk. Dan was hij niet ver gekomen!

Lezen wordt een uitputtingsslag

Als je teveel woorden nog moet ontcijferen of ‘vertalen’, omdat je ze niet ‘in een oogopslag’ herkent (visueel woordbeeld) dan is het onmogelijk om je te concentreren op de inhoud van de tekst die je leest. Je hebt je door een halve bladzijde heengewerkt en je hebt geen idee wat er staat!  Laat staan dat je de tekst kunt samenvatten of dat je er proefwerkvragen over kunt beantwoorden.

Dus had onze zoon dyslexie?

JA! (En NEE!)

Waarom wel?

Uiteindelijk is hij pas in 3 VWO getest. Toen kreeg hij een officiele dyslexieverklaring. Dat was voor hem in zoverre belangrijk dat hij zonder die verklaring was blijven zitten op de onvoldoendes die hij haalde voor Frans en Duits. Nu kreeg hij de mogelijkheid om ze te compenseren. Gelukkig verdween gaandeweg zijn antipathie voor lezen, omdat zijn nieuwsgierigheid het won. Hij studeerde  af aan een Universiteit in Nederland en studeert nu verder in Amerika.

Waarom niet?

Ik ben ervan overtuigd dat hij in de war geraakt is doordat hij op school de letters met een klanknaam leerde benoemen. Hem is nooit op een logische manier uitgelegd waarom hij de o-klank in boom anders moest schrijven dan de o-klank in bomen. Hij maakte dus  fouten als: ‘Wij loopen naar huis‘ of  ‘ik lop naar huis’.
Hem is nooit expliciet aangeleerd om de woorden als visueel woordbeeld op te slaan, terwijl het een heel visueel ingesteld kind was. Als ik toen geweten had wat ik nu weet, had ik hem een hoop ellende kunnen besparen.

Taalkanjer vindt het label ‘dyslexie’ niet belangrijk.

Wij vinden het vooral belangrijk dat kinderen op school de informatie en de hulp krijgen die ze nodig hebben. Als het ontbreken van een dyslexieverklaring betekent dat de school niets hoeft te doen aan de problemen met lezen en spellen, dan kan het handig zijn om je kind te laten testen. Maar over het algemeen zal een test op de basisschool alleen maar bevestigen wat je al wist: dit kind heeft een achterstand. De test zal geen enkel probleem oplossen.

Pas op de middelbare school kan een dyslexieverklaring nuttig zijn, om de ergste drempels voor een kind weg te nemen. Ook daar biedt de test op zich geen oplossing.

Taalkanjer vindt ook de cito-scores niet zo belangrijk.

Wij vinden dat kinderen vanaf het begin de juiste informatie moeten krijgen. Als ouder kun je daaraan bijdragen. Je kunt op dag 1 starten en je hoeft niet te wachten op E-scores en actieplannen en testen. Als jij ziet dat je kind in verwarring is, dan kun je meteen ingrijpen. Er staat genoeg informatie op deze site en als je graag advies van ons wilt, dan ben je van harte uitgenodigd om contact met ons op te nemen.
Zie jij dat jouw kind zodanig problemen met lezen en of spelling ervaart dat het frustratie oplevert? Dan moet je wat doen! En niet wachten op (nog meer) E-scores….
Lees nu ons e-book.

pijltje 2Fijn als je een reactie achter wil laten!

Winterplaatjes om te spellen

Een cadeautje van ons!Download de winterplaatjes om te spellen

De kerstvakantie is vaak druk met de feestdagen, met bezoekjes aan opa en oma of andere familie, … Gezellig, maar af en toe even rust is dan ook fijn.
Even lekker samen een spelletje doen, kan dan voor zo’n rustmoment zorgen, waarbij de aandacht ook even echt voor je kind is. Hier vind je een aantal plaatjes waarmee je een simpel memospel kunt spelen, maar die je ook kunt gebruiken om allerlei spel-spelletjes mee te doen.

Stap 1

Download de plaatjes. Kijk welke niveau het beste bij je kind past.

Woorden met één lettergreep:

Plaatjes 1 lettergreep

Woorden 1 lettergreep

Woorden met meer lettergrepen:

Plaatjes meer lettergrepen

Woorden meer lettergrepen

Stap 2
Print de plaatjes en woorden op stevig papier

Stap 3
Knip ze uit

Stap 4
De regels van het memospel kent iedereen. Extra regel: als je een paar gevonden hebt, moet je het woord spellen met alfabetletters.
Extra uitdaging: spel het woord zonder dat je naar het voorbeeld kijkt. Nog te makkelijk? Spel het woord – zonder af te kijken – achteruit.

Tip bij het spellen
Gebruik bij het spellen van de woorden de namen van de letters zoals in het alfabet. Zoals je ook je naam spelt door de telefoon bijvoorbeeld.
Spellen geeft namelijk veel meer houvast dan verklanken. Spellen helpt ook nog eens om de schrijfwijze beter te onthouden, omdat je het woordbeeld inprent.

Hoe was het om met de winterplaatjes te spellen?Welk woord vond jouw kind het lastigst om te spellen? Of juist het leukst of makkelijkst?

Ik ga op reis en ik neem mee….

Je kind leert op school om vooral goed naar woorden te luisteren. En om vervolgens aan iedere klank een letter te koppelen. Helaas werkt dat niet altijd voor Nederlandse woorden. Daarom moet heel veel woorden ‘gewoon’ onthouden’ hoe je het schrijft. Maar hoe doe je dat nu?

Je maakt daarvoor gebruik van je visuele geheugen. Dat heeft iedereen!
En het heeft niks met beelddenken te maken. Ieder kind vindt op een vol schoolplein zijn of haar eigen vader of moeder. Tussen tientallen andere ouders.
Is dat moeilijk? Nee, natuurlijk niet.
Je kind ‘weet’ hoe mama of papa eruit zien, omdat hij daar een voorstelling van heeft. Hij ziet hen in gedachten voor zich. Onbewust…

Dat visueel geheugen is ijzersterk. Je weet je vaak nog dingen van heel lang geleden te herinneren.
Jullie weten nog precies hoe het vakantiehuisje van deze zomer eruit zag, maar zelfs nog waar daar de koeltrommel stond, of hoe je moest lopen om bij het zwembad te komen.

Van dat sterke visuele geheugen kunnen we ook gebruik maken om bewust dingen te onthouden.

In een spelletje gaan we ontdekken hoe dat werkt:

Ik ga op reis en ik neem mee….. (onbeperkt aantal spelers)
Iedereen kent dit spel: de eerste speler zegt:
Ik ga op reis en ik neem mee: een zwembroek.
De tweede speler herhaalt en voegt iets toe:
Ik ga op reis en ik neem mee: een zwembroek en een duikbril.
Dan is de volgende aan de beurt:
Ik ga op reis en ik neem mee: een zwembroek, een duikbril en een ……… (voeg wat nieuws toe).
Ieder volgende speler herhaalt de reeks en voegt één ding toe.
De kunst is dus: ONTHOUDEN!!!!

Hoe kun je dit nu het beste doen?
Bij ieder voorwerp dat genoemd wordt, probeer je een zo scherp mogelijk visueel beeld te krijgen: welke kleur heeft die zwembroek? Zie je hem echt voor je (hoe ziet jouw eigen zwembroek eruit? Kun je die beschrijven?).
Stel je voor dat je hem ziet liggen…. bijvoorbeeld op je handdoek op het strand.
Wat ligt er naast die zwembroek? Die duikbril natuurlijk! Hoe ziet die er uit: is het zo’n grote, die over je neus past? Of zijn het twee van die aparte rondjes? Welke kleur heeft hij?

duikbrillen

Moedig je kind(eren) aan om het plaatje zo duidelijk mogelijk ‘voor ogen’ te krijgen.
Je kunt dat doen door hem de voorbeeldvragen van hierboven te stellen over kleur, model, afmetingen etcetera.

Wat kan er nog meer naast die zwembroek en die duikbril op de handdoek liggen? Dat kan het volgende voorwerp in het rijtje zijn…..

Maar je mag ook iets heel anders kiezen. Bijvoorbeeld: een tandenborstel. Maar dan moet die ook precies beschreven worden… welke kleur? Waar ligt ie? Wat ligt er naast?

Als spelend zul je merken dat je geen ‘losse flodders’ hoeft te onthouden, maar samenhangende plaatjes. En dat het visuele beeld dat je daarbij maakt, enorm helpt.

De eerste paar keer speel je het op die manier ‘samen’, waarbij je je kind coacht. Beschrijf ook je eigen visuele plaatjes voor hem. Hij moet het voorwerp dat jij noemt ook in ‘zijn eigen plaatje’ opnemen. Daarna laat je het hem zelf op die manier doen (vraag af en toe of hij een plaatje in zijn hoofd heeft). En kijk niet verbaasd, als je kind het spel dan dik van je wint!

Veel plezier!
Jorien en Margit

En? Hoe ging het? Deel je het met ons hieronder 🙂

Zittenblijven in groep 3 of 4 lost niks op – 2

Drie redeneren om daar dus keihard ‘NEE’ tegen te zeggen.

Als een kind goed schoolrijp is als het naar groep 3 gaat, is het toe aan leren lezen en schrijven. Als het dan geen goede start maakt heeft het weinig zin om nog een jaar op dezelfde manier dezelfde lesstof aan te bieden.

Vandaag vertel ik je de tweede belangrijke reden waarom zittenblijven niet werkt! (Heb je de eerste reden al gelezen?)

Vorige week hadden we het over de verwarring… verwarring die ontstaat als het verschil tussen klanken en letters niet duidelijk is. Wil je nog meer weten over klanken en letters? Bekijk dan deze video!

Voorkennis over taal

Vandaag vertel ik over de voorkennis die je kind heeft en hoe je daar gebruik van kunt maken.
Je kind is niet gebaat bij het overdoen van groep 3 of 4, omdat het lesaanbod in die groepen niet aansluit bij zijn voorkennis.
Kinderen hebben tegen de tijd dat ze naar school gaan al ruim 6 jaar van taal leren achter de rug. Daarin hebben ze (onbewust!!) heel veel over onze taal geleerd. Wat dan? Dat woorden uit klanken bestaan, bijvoorbeeld.
Maar het uitspreken van losse klanken hebben ze achter zich gelaten toen ze rond hun eerste verjaardag woordjes gingen zeggen. De losse klanken horen ze ONBEWUST wel, anders zouden ze het verschil tussen tuin en toen niet horen, of het verschil tussen baard en taart. In groep 1 en 2 wordt deze kennis op een bewust niveau gebracht. Je kind leert dan woorden analyseren in klanken. Eerst leert het klankvoeten (lettergrepen) kennen: bij een liedje kan het klappen of lopen en bij iedere lettergreep een stap zetten of een klap geven.

 ik zag twee beren broodjes smeren

En het leert rijmwoorden bij elkaar zoeken. Dat is een heel nieuwe fase, want bij het rijmen is ineens de betekenis van een woord niet meer van belang. Het gaat alleen nog maar om de klank. Dat is een heel andere manier van omgaan met de woorden in je ‘mentale woordenboek’! Rijmen leren kinderen ook in liedjes: ‘Ik zag twee beren broodjes smeren’ en ‘Ik zag twee slangen de was op hangen’
Vanaf de leeftijd van rond de 6,5 – de leeftijd waarop kinderen gemiddeld in groep 3 komen – kan een schoolrijp kind dus woorden auditief analyseren. Hij weet uit welke klanken een woord is opgebouwd. Deze kennis moet nog wat verfijnd raken, maar de gebeurt vanzelf tijdens het leren lezen en schrijven. De fase van woorden in klanken uitspreken is voorbij. We willen niet terug naar die babyfase, we willen vooruit!
(Als een kind woorden nog niet auditief kan analyseren is het niet schoolrijp en hoort het niet in groep 3 te zitten.)

Wat een kind – op het moment dat hij naar groep 3 gaat – moet leren, is met welke letter hij ieder klank op kan schrijven.

Alfabet

We moeten hem dus de letters leren (de klanken kent hij al) – daarvoor gebruiken we het best het alfabet, omdat de letters daar steeds in dezelfde volgorde te staan. Door het alfabet te leren opzeggen en tegelijk bij te wijzen op een poster of kaart, kan een kind de namen van alle letters leren.
We leren hem tegelijkertijd voor welke klank(en) hij die letter kan gebruiken; De ‘o-klank’ van oog schrijf je met twee letters: oo. De letter k gebruik je voor de laatste klank van het woord ook, en de letter f’ gebruik je voor boef. Maar soms schrijf je diezelfde klank (het verschil tussen de f en de v klank is vaak niet te horen) met de letter v. De oe-klank van boek schrijf je met de letters  o en een e.

Daarna gaan we het woord spellen: b-o-e-k. En NIET meer in klanken hakken, want daarmee geven we een leerling het idee dat ‘hakken’ een effectieve manier is om te ontdekken hoe je een woord moet schrijven.
Dat dat niet zo is, weten we als we fouten zien zoals sgoen, hont, vrau of plijn.

Wat kun jij doen?

Leer je kind letters van het alfabet en ga woorden met hem spellen op het niveau van zijn klas. Spellen is een heel effectieve manier op het woordpakket van de week te oefenen!
Maar spellen kan ook als spelletje.Voor tips kijk je op onze site!

Kan je kind woorden nog niet goed in klanken opdelen (en dan bedoel ik niet een woord als bibliotheek), maar gewoon boos, huis, rok, been en buik, dan kun je dat oefenen door bijvoorbeeld te vragen: welke klank hoor je hetzelfde in boom en boek? Meer tips binnenkort op de site!

Lees ook de DERDE reden waarom zittenblijven in groep 3 of 4 niets oplost.

Meer weten hoe Taalkanjer je kan helpen om hiermee aan de slag te gaan? Neem contact met ons op.

BewarenBewaren

Zittenblijven in groep 3 of 4 lost niks op – 3

Zittenblijven in groep 3 of 4?

Drie redenen om daar absoluut ‘NEE’ tegen te zeggen.

Waarom lost zittenblijven zelden wat op?

Als een kind goed schoolrijp is als het naar groep 3 gaat, is het toe aan leren lezen en schrijven. Als het dan geen goede start maakt, heeft het weinig zin om nog een jaar op dezelfde manier dezelfde lesstof aan te bieden.

Daar zijn 3 belangrijke redeneren voor en de derde bespreek ik in deze blog.

In de eerst blog legde ik uit welke verwarring er in het hoofd van je kind zit als hij niet goed weet wat het verschil is tussen letters en klanken.
In de tweede blog legde ik uit met welke voorkennis een kind in groep 3 komt en hoe je die voorkennis optimaal benut!

De derde reden.

De derde belangrijke reden waarom je kind niet gebaat is bij het overdoen van groep 3 of 4 is deze:

Je kind is niet gebaat bij het overdoen van groep 3 of 4, omdat het lesaanbod waarschijnlijk niet aansluit bij zijn manier van leren en informatie verwerken.

Het aanbod op school is auditief (op het gehoor): letters krijgen klanknamen en woorden worden op het gehoor is stukjes gedeeld, waarbij de leerling de indruk krijgt dat:

  1. Bij ieder klank één letter hoort ook al schrijf je die met twee tekens. De aa is op school één letter.
  2. Schrijven wat je hoort een veilige strategie is. Terwijl kinderen die aan die strategie vasthouden fouten schrijven als: klijn, sgoen, sous, hont…
  3. Een letter hetzelfde is als een klank. Dit leidt tot grote verwarring. Ik ken een jongetje dat na een aantal weken in groep 3 zijn eigen naam niet meer goed uitsprak: hij heette Gerben, maar sprak dat ineens uit als GerBEN (in plaats van Gerbun). Of Simon – die zin naam al bijna een jaar goed kon schrijven – maakte daar ineens Siemon van.

Visueel woordbeeld.

Door de woorden te spellen (met de letters van het alfabet – Je weet wel: de Cock met C-o-c-k) versterk je het visuele woordbeeld van je kind.

En dat visuele woordbeeld is stabiel. Het ziet er altijd, overal en voor iedereen hetzelfde uit!
Het auditieve woord is niet stabiel! Een woord verandert van klank als je fluistert. Het klinkt anders afhankelijk van uit welke streek van het land je komt. Het klinkt anders als er andere woorden voor of achter staan. Bovendien is het er maar een fractie van een seconde.

Ons visuele geheugen is heel erg sterk. We kunnen ons van duizende dingen precies herinneren hoe ze eruit zien. We kunnen ons zelfs dat vakantiehuis of hotel van jaren geleden nog voor de geest halen!

Kinderen denken nog veel sterker dan volwassenen in beelden en hun geheugen is ook heel ‘visueel’.
Als we een woord op basis van klanken moeten schrijven, dan moeten we dat woord iedere keer dat we het schrijven opnieuw analyseren. En bij ieder klank een letter zoeken. Zelfs als dat vlot verloopt (en we weten inmiddels wat de risico’s zijn) dan is dat een intensief proces.

Als we gebruik maken van dat sterke visuele geheugen van een kind, dan ontwikkelt het van een woord een stabiel visueel plaatje in zijn hoofd. Hij hoeft dat dan alleen maar over te schrijven bij het volgende dictee.

Wat kun je doen? Hoe kun je helpen?

Maak het aanbod vooral visueel: schrijf de woorden op, leg ze met de letters van de letterdoos. Laat je kind de woorden niet in klanken zeggen, maar in letters spellen. Maak de structuur van een woord zichtbaar.

Voor je met het ‘echte’ werk gaat beginnen, is het leuk om eerst dit spelletje te doen.
Daarmee raakt je kind vertrouwd met het inzetten van zijn visueel geheugen:
Ik ga op reis en in neem mee….

Wil je hier meteen op de meest efficiënte manier mee aan de slag?

visueel woordbeeld en spellen

Overweeg dan onze workshop die we met een knipoog “Spellen met je Oren Dicht” genoemd hebben.
We gaan dan heel praktisch en heel doelgericht in op hoe jij je kind kunt helpen met het ontwikkelen van zo’n stabiel visueel woordbeeld.
In een dagdeel oefen jij met ons en met de andere deelnemers en daarna ga je er thuis op je gemak en op een speels manier met je kind mee aan de slag.

Wil je eerst met ons overleggen wat een goede stap voor jou is? Neem dan contact met ons op.

 

like

Zorg er met 1 klik voor dat je geen nieuwe ontwikkelingen mist